Categorie archief: Interview

Nieuwmarkt rond 1930

Christen en Jood

De Joodse en Christen mensen woonden en leefden gewoon met elkaar. Toch…hoe arm de Joodse mensen ook waren…ze hadden wel aparte potten en pannen. Voor de koosjere keuken. De gegoede Joden woonden bij het Waterlooplein. Daar had je ook een Joodse school. Maar in de Nieuwmarkt buurt woonden de “sinaasappel Joden”. Zo werden de arme Joden genoemd.

Borreltje met dodelijke afloop

De mannen gingen altijd op zondag een borreltje drinken bij ‘De Grote Slok’ op de Kloveniersburgwal. Op een keer gingen ze met paard en wagen van ome Chris Voskuilen een eindje rijden. Een beetje dronken en uitgelaten. Bij de Schreierstoren is het paard ergens van geschrokken. Dat sloeg toen op hol.

Mijn vader is er toen afgeslagen. Hij viel met zijn hoofd tegen een ijzeren paal. Hij was op slag dood. Eenenveertig jaar…. Zijn broer rende op hem af en die heeft een klap gekregen met een sabel in zijn nek van een agent. Ze dachten dat hij hem wilde beroven.

Burenhulp

Er waren overal in de buurt van die hele steile, smalle trappen. Wij woonden op drie hoog. De overleden mensen werden gewoon thuis opgebaard. Maar over die smalle trappen kon geen doodskist. Mijn vader heeft opgebaard gelegen bij tante Reese in de Jonkerstraat.

Dat was geen echte tante. Dat deden de mensen gewoon voor elkaar. Wat een saamhorigheid! De mensen waren helemaal in de war van mijn vaders dood. Ik was vier jaar toen. Daarna stierf mijn zusje Heintje. Dat was een heel lief kind. Heel gelovig. Daar heb ik nog een ingelijst stuk van wat in de krant stond. Daarvoor stierf Naatje. Alle twee TB (tuberculose). Mijn broer Bap ook, maar dat was in Duitsland in de oorlog. Vliegende tering noemde men dat. De dood hoorde bij het leven. Het werd niet weggestopt zoals nu. De mensen waren blij met elkaar en hadden samen verdriet.

 

 

Dit verhaal is verteld door mijn moeder en ik heb samen met haar dit avontuur van herinneringen mogen beleven.  Alweer 2 1/2 jaar geleden stierf zij en ik mis haar nog dagelijks.

Ik plaatste dit dan ook, omdat ik trots op haar zowel als op mijn vader ben en omdat ik mijn beide ouders dankbaar ben voor de veilige jeugd die ze mij hebben geboden in de mooiste buurt die een kind zich wensen kan.

 

Sinterklaas in de Nieuwmarktbuurt deel IV

Sinterklaas

Sinterklaas werd overal gevierd met cadeautjes. Zo had mijn moeder twee schoenendozen en daar zat dan allemaal chocolade in. Voor mij en je ome Koen. Wij waren de jongsten, hè. Een letter zat er dan in. En een pispotje met een drolletje erin van marsepein. En dan kreeg ik een poppetje of zoiets. Ja, mijn moeder deed altijd aan Sinterklaas.

Sinterklaas

Je had in die tijd geen intocht zoals nu. Met een pan chocolademelk op het vuur en een boterletter, nu noem je dat een banketstaaf, wachtte je op Sinterklaas. Die kwam dan wel thuis. Geen echte natuurlijk. Dat was een oom of een tante.
Sinterklaas en zwarte Piet gingen op zo een avond de hele familie af. Ja, niet helemaal zo netjes verkleed. Ze hadden dan een kleed om of zo. Dat doet me altijd denken aan Toon Hermans. Nou zo was het echt, hoor! En dan was m’n broer Bap Pietermeknecht. Hadden ze alleen z’n gezicht zwart gemaakt en de nek gewoon wit gelaten. Zwart maken deden ze met een verbrande kurk.

Ik weet nog dat ik riep: “Pietermeknecht heb een hele skone nek!” Ik heb hem schijnbaar herkend. Ach ja, dat opmaken ging niet zo nauwkeurig en ze hadden ook gewoon hun eigen schoenen en kleren aan natuurlijk. Een witte papieren kraag had ie om. Een mijter of een baard kan ik me niet herinneren bij Sinterklaas. Je was veels te bang en te blij dat ie weer weg was.

Kerst

In de buurt zag je ook geen versieringen zoals nu. Een dag voor de kerst ging je met het hele gezin de kerstboom optuigen met echte kaarsies in de boom. Er stond altijd een emmer water met een spons naast de boom. Link hoor, evenzogoed. We aten altijd konijn. Er waren geen cadeautjes zoals nu. Het kerstfeest vierden we in de kaaskerk op Zeedijk. Dan werd er gezongen en voorgelezen. Dat ging van het Leger des Heils uit. Er stond altijd een hele grote kerstboom. Na afloop kreeg je een sinaasappel en een scheurkalender. Voor kinderen. Voor groteren was een aparte viering.

Kerst leger des heils

Juffrouw Gasstel

Er was een clubje van juffrouw Gasstel op de Oude Schans. Daar kon je breien en haken, sjoelbakken en dat soort dingen.

Bijnamen

Iedereen had een bijnaam. Appie tweeduim; die was geboren met twee duimen. Die tweede duim heeft ie eraf laten halen in het Binnengasthuis. Maar die naam heeft ie altijd gehouden.

En mijn vader was Hein de Jood. Ome Daan had een horrelvoet, dat zie je ook niet meer tegenwoordig. Hij liep met verse waar voor de beesten. Met een kar liep ie. Je had veel karren die door de straat kwamen: viskarren, groenten….

Handel

Oh ja! Saartje met d’r broodkar. Ze was zo bang voor honden. Liep ze op de Rechtboomssloot. “Vers brood, vers brood!” riep ze. Een grote hond achter haar begon te blaffen. Saartje was zo bang dat ze die kar zo de gracht in reed. Lag ze met kar, broden en al in de gracht. Hahahahaha.

Dan had je weer een kar met touw bespannen waar gedroogde scharren aan hingen. Was lekker, lekker zoutig. Dan was er weer een met pruimen, sinaasappelen, mosselen of kolen. Het was maar wat ze als handeltje op konden duikelen.

Je had wel allemaal kleine winkeltjes. Tante Coba had een water en vuurwinkeltje. Dat was dan warm water en het vuur waren smeulende kooltjes. Ik zou niet weten waar ze die voor gebruikten. Kwamen die vrouwen een emmertje water halen of wat kooltjes. Dat ging dan in een aardewerken ding. Dat kreeg je in bruikleen. De mensen stookten op turf. Stonk als de kelere!!! Maar dat was overal, dus dat rook je niet eens meer. Kolen waren veel te duur.

Koken en wassen

Er werd gekookt op oliestellen. Je had éénpits, twee- en driepits. Alles werd erop gekookt en gebakken. Gasstellen bestonden toen nog niet. Groenten en vlees werden ’s morgens vroeg al opgezet. De was werd ook opgekookt op het oliestelletje. In zo’n hele grote smalle hoge ketel. Dat stond dan de hele nacht op. Dat was een keer in de week, want je werd zaterdag ’s avonds voor de kachel gewassen en dan kreeg je schone kleren aan. Daar moest je de hele week mee doen. We sliepen in een bedstee. Er hing zo een vet touw aan het plafond. Dat was om jezelf op te trekken. Het matras was een veren bed met een tijk erom. En die tijk werd af en toe verschoond.

De straatjes en steegies

Smalle straten waren er met houten trappetjes. De moeders zaten daar hun groenten schoon te maken en de aardappels te schillen. De kinderen speelden dan op straat. Als kind zijnde kwam je niet veel verder. Overal had je kleine winkeltjes. De mensen hadden vaak van hun huiskamer een winkeltje gemaakt.

In de vissteeg werd alleen maar vis verkocht. Die steeg werd zo in de volksmond genoemd. De officiele naam was de Lazerussteeg. Ach, ach stinken dat het daar deed.

Louistje Boaz woonde daar. Zijn vader handelde ook in vis. Joden mochten alleen maar handel drijven. Ze mochten niet bij de gilde.

Maar je had ook de diamantslijpers. Dat mochten ze wel, omdat Christen mensen dat niet konden. Het slijpen deden meestal de Polen en de Russen. Die waren al gevlucht voor de progroms. Voor diamant slijpen was geen gilde. Dat mocht niet. Op het Waterlooplein en de Nieuwmarkt stonden ook eerst alleen maar Joden.

 

Nieuwmarktbuurt rond 1930 III

Auto in de gracht

Ik weet nog een keer, op een nacht: een heleboel gegil. Was een buitenlander met een auto zo de gracht in gereden. Nou zag je al bijna nooit een auto, laat staan een in het water. Die Duitser, was het geloof ik, dacht dat die dekschuit gewoon een brug was. En hij is die schuit opgereden, maar belandde zo in het water. Eentje van de passagiers was verdronken. Heeft een heel stuk van in de krant gestaan.

Jarig in de zomer

O ja…dat herinner ik me ook nog heel goed! Ik werd jarig, ik werd tien jaar en ik wilde graag laarzen voor m’n verjaardag. Van die gummi kaplaarzen. Van de Hema. Ik geloof dat het die dag een hittegolf was. Maar ik moest en zou die laarzen an. M’n moeder: “Maar die ken je niet an. Het is veels te warm!”

“Ja Moe, die kan ik wel an!” Heb ik de hele dag op gelopen. Zonder sokken of niks. Ja, dat was mijn cadeau. Nou…van binnen waren ze an het eind die dag kletsnat! En ik een blaren! Wat kan een kind ook raar doen, hè? Duur cadeau? Ja dat zal wel. Weet je dat de Hema met de prijzen niet hoger ging dan een gulden? Je had een stuiver, een dubbeltje en kwartje. Twee of drie kwartjes en het duurste was dan een gulden. Hoger ging de Hema niet.

hondjepoep

Je had op het hoekje een logement op de Achterburgwal, waar wij woonden. Nou heet dat een hotel…toen was het een logement. Daar hadden ze een grote herdershond. En wij kinderen zaten op de stoep. Zo’n hoge stenen stoep. En dan riepen we: “Hondjepoep!” En wat dat met die hond was, ik weet het niet. Maar dan kwam ie aanrennen! En dan vlogen we allemaal bij m’n moeder naar binnen. Hahahaha…al die kinderen. Al de stoelen schots en scheef. Ken je nagaan wat een herrie dat geweest is. M’n moeder vond dat allemaal maar goed ook. Tja, wat hadden ze vroeger voor boel, he! Een blind paard kon er nog geen schade doen. Als die hond dan weg was, dan gingen we weer: HONDJEPOEP!! En dan kwam ie er weer an. Daar hadden we gein in natuurlijk. Zo vermaakte je je als kind zijnde.

Honden het deden

Je had van die honden vroeger, dat zie je nou niet meer, die zaten wat te doen samen. Dat mannetje en dat vrouwtje, die konden niet meer van elkaar af komen. En ik zag dat vanaf de stoep. Wist ik veel! Ik naar binnen gerend. Riep ik: “Moe .. Moe…! Er zijn twee honden. Die zitten aan mekaar vast.” Toen nam m’n moeder een emmer met water en gooide dat over die honden heen. Ja…en dan waren ze weer los. Je wist niet wat dat was toen. Dat heb je nou niet meer natuurlijk, die honden zitten nu allemaal aan de lijn of zijn geholpen. Toen lieten ze geen honden helpen. Ben je gek! Dat geld hadden de mensen niet. Als ze geld hadden, kochten ze daar eten voor.

Nieuwmarktbuurt 1930
Het kakschooltje en kippen zonder kop

Ik zat eerst op het kakschooltje, zo noemde je vroeger de kleuterschool, in de Keizerstraat. Daarna ging ik naar de Claudius Civilis school in de Uilenburgerstraat. Die school is nu weg. Maar hij zat bij de ‘Witte Olifant’. Aan de andere kant van de straat. De kant van de Peperstraat op. Er was aan de overkant een jongensschool. Een kleermakersschool was dat. En er zat ook een kippenbeweging. Ja! Daar brachten ze dan levende kippen en die werden daar geslacht. Dan ging hun nek eraf en dan liep zo’n kip zonder kop zo de straat op. Akelig hoor, dat zal me altijd bij blijven.

Christen en Joodse kinderen op school

Op die school zaten Christen en Joodse kinderen door elkaar heen. Op vrijdag, als de sabbat begon, mochten de Joodse kinderen naar huis en de kinderen die overbleven gingen dan in één rij zitten. Dan ging de meester voorlezen. Het was een openbare school. Onze school deed niet aan het kerstfeest. Helemaal niks. In de buurt zag je ook geen versieringen zoals nu.

Op school hadden we geen kerstvakantie. Alleen grote vakantie en ijsvrij. O ja, en als de koningin op de Dam kwam.

 

Wil je niets van deze serie niet missen, schrijf je hier dan even in, dan krijg je de nieuwsbrief  per mail.

 

Nieuwmarktbuurt deel II

Hoeren

Ik was net zes jaar toen we in de Molensteeg woonden en  er een hoer aan de overkant zat. Ik weet nog goed, dat we uit het raam hingen.

En toen vroeg ik: “Moe, waarom gaan toch steeds die mannen daar naar binnen?” Wat ze geantwoord heb, dat weet ik niet, maar ik weet nog wel dat ik toen zei: “Maar ze doet ook de gordijnen aldoor dicht”

Ik wist echt niet wat dat was, want in de Ridderstraat had je dat niet, dat was aan de overkant van de Nieuwmarkt.

Uit het raam hangen

De Molensteeg was een druk steegie en smal en op de hoek van de Molensteeg had je Habolt. Een winkel met worst en zo. Maar er was altijd wel wat te beleven. We hingen vaak uit het raam. Dat deed iedereen in die tijd. Dat was onze televisie…wat er buiten gebeurde. En ja, zo
maakten de mensen ook een praatje.

Oude Zijds Achterburgwal

Vanuit de Molensteeg zijn we verhuisd naar de Oude Zijds Achterburgwal nummer 51. Daar hadden we een grotere woning en een wc. Maar geen douche. Dat had je niet in die tijd.

Je had overal bedrijfjes. Maar bij ons had je dan een houtloods. Die was van ome Toon. En als kind zijnde mochten we daar gewoon naar binnen. Dat was een aardige man, ome Toon…
Het hout werd aangevoerd met van die dekschuiten, en dan lagen er vaak wel twee naast elkaar

Nieuwmarktbuurt
Schuiten springen

Daar speelden we dan. Sprongen we van de kant op zo een schuit. We lieten die touwen ietsje vieren, zodat die boot wat verder van de wal kwam te liggen. En steeds overspringen, hè.
Maar op een gegeven moment viel Sally Deegen, het broertje van Izzy Deegen, tussen de wal en het schip. We waren zo een jaar of negen. Wij naar binnen rennen, de loods in: “Ome Toon, Ome Toon! Sally legt in het water!” Maar ome Toon had een klant en daar was ie mee bezig. Ik denk niet dat ie ons echt gehoord heeft. We moesten wegwezen. Vanuit de Monnikenstraat kwam een man aan rennen en hij dook het water in. Die heeft Sally toen op het nippertje gered. Hoe het verder afgelopen is weet ik niet.

 

Er komen nog 3 delen van dit bijzondere interview. Als je niet wilt missen, schrijf je dan even in voor de nieuwsbrief van Boost Your World en je krijg de nieuwsbrief  in je email.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nieuwmarktbuurt 1930

De vraag

– Ma, wil jij vertellen over de buurt, toen jij jong was, voor het blad OpNieuw?
– Nou, meid, ik weet het niet hoor! Ik heb geen zin in die vreemden over m’n vloer.
– Maar, Mam, als ik het nou doe?

En zo is mijn moeder begonnen te vertellen over de Nieuwmarktbuurt in Amsterdam rond de jaren 1930-1940

 

De huizen
Wassen

Je had vroeger voor en achter. Meestal een twee-kamerwoning voor en een twee-kamerwoning achter. De kraan was dan op het portaal.

De kraan zat op het portaal. Koud. Ja je had geen warm water natuurlijk. Wassen deed je je amper. Iedereen had een zwarte nek. Eén keer in de week gingen we in bad. Dan werden er op het fornuis bakken water warm gemaakt voor in de zinken teil. De oudste mocht het eerst. Eén voor één gingen we er in. De jongsten hadden niet veel mazzel, dat snap je, die hadden het vuile water, want iedereen moest in datzelfde water. Dat was niet zo fris meer dan. We werden gewassen met groene zeep en ons haar ook.

Hoe mijn ouders zich wasten…ik zal het niet weten. Ik heb mijn moeder nog nooit in haar onderjurk gezien. Nee, nog nooit. Gek he? Toch krijg je daar wel een staartje van mee. Ze kwamen uit hun bed en ze kleedden hun eigen meteen aan.

Boostyourworld

De wc

En je deed ‘het’ op een emmer. Die emmer werd geleegd bij de boldootkar. Als de boldootkar eraan kwam, gingen de mannen met die strontemmer naar beneden. Vaak ging die stront d’r overheen.

En al de kinderen stonden er omheen als die kar in de straat kwam. Dat was elke keer weer een belevenis.
Ik kan me niet herinneren dat ze een ratel hadden of zo, maar je wist wel wanneer die d’r an kwam. Dat rook je wel!!! Blegh.

Een herrinering

En dan had je ome Hein van Bremen, die was meestal dronken. Die vent ging zo met z’n hand in die emmer. Zo in die stront! Wat een viezigheid allemaal eigenlijk… Of die emmers waren afgedekt? WELNEE! Stinken dat het dee….!!!

Naderhand kreeg je een plee. Daar zat wel een deksel op. Maar ik weet niet meer hoe dat dan verder zat. Ik geloof dat daar ook een emmer in stond. Die houten deksel had een greep, dat weet ik wel. Maar of die nou ook zo geleegd werd?

Een plee was wel een luxe. Later kreeg je een wc.

Waar ik geboren ben in de Ridderstraat nummer 43, hebben we nooit een wc gehad. Je had geen wc- papier, maar kranten. Die gaven toen gelukkig niet af. Daar moest je reepjes van knippen, met de schaar een gaatje prikken en door het gaatje ging dan een touwtje. Zo werd dat opgehangen naast de plee.

Ik vraag me af hoe we aan die kranten kwamen. Of we daar geld voor hadden. Misschien wel oude kranten van iemand anders of zo. Ach daar stond je als kind zijnde niet zo bij stil, hè!

Opoe en haar make-up

En weet je nog dat opoe, mijn moeder dan, van die zwarte wenkbrauwen had? Dat deed ze met een kooltje. Dat is haar make-up geweest. En boter in d’r haar smeren. Waar je nou je schuim voor hebt, deden ze vroeger boter in hun haar. En suikerwater was om krullen te zetten. Dan bleven de krullen stijf staan. Dan namen ze een stukkie krant en suikerwater en zo maakten ze krullen. Die bleven dan stijf staan. Kan je nagaan hoe dat gezeten moet hebben!

Verhuizen voor een nieuw behangetje

M’n moeder is wat verhuisd! Dat ging met de handkar. Ach wat had je nou te verhuizen in die tijd. Je had toch niks. De mensen verhuisden zo veel, omdat ze van de nieuwe huisbaas een lopertje voor op de trap of een nieuw behangetje kregen. Ja, ze waren maar wat blij als je er kwam wonen, want er was wat een leegstand in de buurt! Je had je ook veel onbewoonbaar verklaarde woningen. Maar daar werd ook nog jaren in gewoond.

Ik kwam een keer thuis uit school en toen ik aanbelde, kwam de buurvrouw, Emmy Emerans een toneelspeelster, uit het raam hangen. Zij riep toen: “Jopie, je woont hier niet meer hoor!” “Oh”, zei ik, “waar woon ik dan?” “Op Zeedijk”, antwoordde ze.

Maar waar op Zeedijk, dat wist ik niet. Ach ze deden ook maar in die tijd. Moet je nou niet doen! Hahaha. Ach ze gingen niet zo zacht met hun kinderen om, zoals nu.

Vanuit de Ridderstraat, toen dat werd afgebroken, zijn we verhuisd naar de Molensteeg. Ja, een heleboel mensen gingen toen in noord wonen, maar heel veel kwamen ook weer net zo hard terug.

In de Molensteeg hadden we ook een twee kamerwoning en een kraan op portaal.

Niet willen eten

Ik weet nog goed dat er beneden een gat in de trap zat, enne…ik wou nooit eten. En je kreeg altijd je brood mee in je hand, naar school. En dan douwde ik gauw dat brood in dat gat. Lekker voor de ratten…. En toen mijn moeder daar achter kwam, had ik een ander plekkie.
Op de Nieuwmarkt had je zo een ouderwetse urinoir staan en toen gooide ik het daar maar in. Ik wilde nooit eten, hè, vandaar dat ik in de kolonie belandde. Ik was veel te mager.